trouwstoet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

trouwstoet op Java
Uitspraak
Woordafbreking
  • trouw·stoet
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord trouwstoet trouwstoeten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

trouwstoet m [1]

  1. rij personen of de rij vervoersmiddelen van deze personen die naar een huwelijksplechtigheid gaan of daar vandaan komen
    • De tweede periode is die van de "gezagscrisis' in de jaren zestig. Overheid en politiek wisten zich geen raad met wat er allemaal op straat gebeurde. Het was het historisch seizoen van "de aantasting der taboes' en "de afbraak van oude waarden'. Luns herinnert zich dat er in het voorjaar van 1965 drie of vier generaals met het plan voor een coup bij hem zijn gekomen. Het zou waarschijnlijker zijn geweest als ze hun bezoek een jaar later hadden afgestoken. Toen bereikte het kabaal in Amsterdam zijn hoogtepunt: rookbommen in de trouwstoet en het bouwvakkersoproer met de bestorming van De Telegraaf. Maar misschien hadden de generaals van Luns een vooruitziende blik. [2] 
    • Een heleboel aansprekende informatie voor kinderen ontbreekt in Ja, ik wil. Er staat bijvoorbeeld niets in over de paarden en de lakeien in de trouwstoet. Wel is het voor kinderen een handige, snelle bron voor wie weten wil hoe het nou zit met dat koningshuis in Nederland, en wat de koningin hier zoal te zeggen heeft. De vaderlandse geschiedenis in Ja, ik wil is weinig meer dan een opsomming van wie er met wie trouwde en wanneer. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC H. J. A. Hofland 22 juni 1992
  3. NRC Judith Eiselin 1 februari 2002
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be