therapietrouw

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • the·ra·pie·trouw
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord therapietrouw -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

therapietrouw v / m

  1. (medisch) mate waarin een voorgeschreven therapie door een patiënt wordt opgevolgd

Meer informatie

Gangbaarheid