louche

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lou·che
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘onguur’ voor het eerst aangetroffen in 1917 [1]
  • Van het Frans, louche: onguur, verdacht, van het Oud Frans losche: scheel, van het Latijn luscus: met één oog, blind aan één oog.
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen louche loucher louchest
verbogen - louchere loucheste
partitief louches louchers -

Bijvoeglijk naamwoord

louche

  1. onguur, verdacht, met een slechte reputatie
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Frans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

louche v

  1. (spreektaal) hand, klauw, poot
    «Je lui ai serré la louche et j'ai foutu le camp.»
    Ik gaf hem een poot en ik ben er vandoor gegaan. [1]

Verwijzingen