standvastig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stand·vas·tig
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van stand en vast met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen standvastig standvastiger standvastigst
verbogen standvastige standvastigere standvastigste
partitief standvastigs standvastigers -

Bijvoeglijk naamwoord

standvastig

  1. iets volhouden en niet opgeven

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.