vertrouwen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·trou·wen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vertrouwen -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

vertrouwen o

  1. (psychologie) het geloof in betrouwbaarheid van een persoon of zaak
    Ik heb alle vertrouwen in je.
Verwante begrippen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Vertrouwen is goed, controle is beter (Lenin)

Vertalingen


stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vertrouwen
vertrouwde
vertrouwd
zwak -d volledig

Werkwoord

vertrouwen

  1. (overgankelijk) geloven in de betrouwbaarheid van een persoon of zaak
    Wij zullen je voortaan meer vertrouwen.
Vaste voorzetsels
  • vertrouwen op
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. 2,0 2,1 http://bos.zrc-sazu.si/cgi/a03.exe?name=sskj_testa&expression=a&hs=59786