vertrouwen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·trou·wen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vertrouwen -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

vertrouwen o

  1. (psychologie) het geloof in betrouwbaarheid van een persoon of zaak
    • Ik heb alle vertrouwen in je. 
     ‘Ik heb vertrouwen in het handelen van de overheid. Ik heb desinfecterende handgel bij me, net als in de tijden dat ik uitgezonden was naar Afrika. Zelf ben ik niet zo bang voor het virus.[3]
     Op de trail voelde zij zich veilig en herwon ze langzaam weer haar vertrouwen in de mens.[4]
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Vertrouwen is goed, controle is beter (Lenin)

Vertalingen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vertrouwen
vertrouwde
vertrouwd
zwak -d volledig

Werkwoord

vertrouwen

  1. overgankelijk geloven in de betrouwbaarheid van een persoon of zaak
    • Wij zullen je voortaan meer vertrouwen. 
Vaste voorzetsels
  • vertrouwen op
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "vertrouwen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. vertrouwen op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink Weblink bron Charlotte Huisman “Wie neemt er nog de trein op een stil Utrecht Centraal?” (13 maart 2020), de Volkskrant
  4. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  5. 5,0 5,1 http://bos.zrc-sazu.si/cgi/a03.exe?name=sskj_testa&expression=a&hs=59786
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be