trouwboek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

[2] De trouwambtenaar ondertekent het trouwboekje
Uitspraak
Woordafbreking
  • trouw·boek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord trouwboek trouwboeken
verkleinwoord trouwboekje trouwboekjes

Zelfstandig naamwoord

trouwboek o [1]

  1. register waarin huwelijken zijn opgeschreven voor de invoering van de burgerlijke stand, vooral van belang voor historisch onderzoek
    • In alle genoemde voorbeelden wordt de computer gebruikt om in een gigantische berg van gegevens naar samenhangen te zoeken. Dat is niet nieuw. Sociale wetenschappers en economen doen het al twintig jaar. De achterstand van historici heeft grotendeels te maken met de complexiteit van het bronnenmateriaal, zegt Onno Boonstra, docent historische informatiekunde in Nijmegen. Historische bronnen zijn immers vaak onvolledig, bevatten dikwijls onjuistheden (bijvoorbeeld een verkeerd opgetelde tabel in een belastingregister) of varianten in spelling, maten, gewichten en munteenheden. Is de Laureijsen die in een doopakte van 1785 staat vermeld, dezelfde als de Lavrijse die in een trouwboek van 1815 voorkomt? [2] 
  2. een klein boekje voor de bruid en bruidegom waarin staat dat ze getrouwd zijn
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC José van Vonderen 3 januari 1991