trouwlustig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trouw·lus·tig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen trouwlustig trouwlustiger trouwlustigst
verbogen trouwlustige trouwlustigere trouwlustigste
partitief trouwlustigs trouwlustigers -

Bijvoeglijk naamwoord

trouwlustig

  1. zin hebbend om te trouwen
    • De twee trouwlustige vrouwen konden pas in 2001 met elkaar trouwen toen ze al 50 jaar samen waren. 

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.