premie

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pre·mie
enkelvoud meervoud
naamwoord premie premies
verkleinwoord premietje premietjes

Zelfstandig naamwoord

premie v

  1. de betaling aan een verzekeringsmaatschappij als tegenprestatie voor het aanhouden van een verzekering
    • De premie was aan het begin van het jaar flink gestegen. 
  2. de geldbonus die betaald wordt als een misdadiger gevangen wordt
    • Er stond een flinke premie op het vinden van de kinderlokker. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
premiar

premie

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van premiar
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van premiar
  3. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van premiar