nieuwprijs

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nieuw·prijs
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord nieuwprijs nieuwprijzen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

nieuwprijs m [1]

  1. de prijs die je moet betalen voor een product als het nog ongebruikt is
    • De bierfiets was al zeker vijf jaar oud en de rechtbank heeft de waarde daarom geschat op een kwart van de nieuwprijs: 4500 euro. De huurder moet bovendien de rekening betalen voor het ophalen van het wrak bij de politie (181,50 euro). [2] 
    • Het gaat om de nieuwprijs van het toestel, de ten onrechte geïncasseerde termijnen en de wettelijke rente. In totaal is dat een bedrag van ongeveer 1100 euro. [3] 
    • Bovendien: 70 jaar geleden was het ook al geen koopje, want met een nieuwprijs van zo'n 900 euro was de Sahara tweemaal zo duur als een standaard 2CV. De veiling is op 11 mei en de voorzichtige schatting is dat de auto tussen de 80.000 en 120.000 euro gaat opleveren. [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Verwijzingen