huppelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hup·pe·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
huppelen
huppelde
gehuppeld
zwak -d volledig

Werkwoord

huppelen

  1. inergatief zich met kleine sprongetjes voortbewegen
    • Er werd gehuppeld en trouwtjegesprongen op het schoolplein. 
  2. ergatief zich met kleine sprongetjes ergens naartoe bewegen
    • Vrolijk fluitend huppelde zijn dochtertje naar de deur. 
    • Maar nu eerst: de polka! Voor een grandioze afsluiting van het uur mochten de kinderen in paren van twee naar de overkant van de zaal huppelen onder begeleiding van een vrolijke dans. [2] 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Sandes, David De wondermethode 2006 ISBN 9044509543 pagina 146