aaien

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aai·en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aaien
aaide
geaaid
zwak -d volledig

Werkwoord

aaien [1] [2]

  1. (overgankelijk) zachtjes met de hand iets strelen
    Onze hond kwispelt altijd met zijn staart als hij geaaid wordt.
    Onze poes spint als zij geaaid wordt.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Zelfstandig naamwoord

aaien mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord aai
Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. Woordenboek der Nederlandse taal