aanraking
Uiterlijk
- aan·ra·king
- Naamwoord van handeling van aanraken met het achtervoegsel -ing
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | aanraking | aanrakingen |
| verkleinwoord | aanrakinkje | aanrakinkjes |
de aanraking v
- het aanraken
- Iedere aanraking van de gebroken hand deed veel pijn.
- ▸ 'Ik denk niet dat u gek wordt,' zei Teresa, en Olive gaf haar lachend een duwtje tegen haar schouder. De aanraking kwam als een schok voor Teresa.[1]
- in aanraking met: te maken hebbend met; contact hebben met
- Bent u wel eens in aanraking geweest met een veroordeelde.
- ▸ Via internet kwam ik met meerdere personen in aanraking die tijdens hun all-inclusive vakantie een ramp hadden beleefd.[2]
1. het aanraken
- Het woord aanraking staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "aanraking" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ Jessie Burton (vert.Marja Borg)“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - ↑ “All-inclusive”
(2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht
, ISBN 90-229-9182-2 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 9
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Achtervoegsel -ing in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 100 %