Naar inhoud springen

aanraking

Uit WikiWoordenboek
  • aan·ra·king
enkelvoud meervoud
naamwoord aanraking aanrakingen
verkleinwoord aanrakinkje aanrakinkjes

deaanrakingv

  1. het aanraken
    • Iedere aanraking van de gebroken hand deed veel pijn. 
     'Ik denk niet dat u gek wordt,' zei Teresa, en Olive gaf haar lachend een duwtje tegen haar schouder. De aanraking kwam als een schok voor Teresa.[1]
  2. in aanraking met: te maken hebbend met; contact hebben met
    • Bent u wel eens in aanraking geweest met een veroordeelde. 
     Via internet kwam ik met meerdere personen in aanraking die tijdens hun all-inclusive vakantie een ramp hadden beleefd.[2]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[3]