aanraking

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ra·king
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanraking aanrakingen
verkleinwoord aanrakinkje aanrakinkjes

Zelfstandig naamwoord

aanraking v

  1. het aanraken
    • Iedere aanraking van de gebroken hand deed veel pijn. 
  2. in aanraking met: te maken hebbend met
    • Bent u wel eens in aanraking geweest met een veroordeelde. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.