kracht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kracht
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘sterkte’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord kracht krachten
verkleinwoord krachtje krachtjes

Zelfstandig naamwoord

kracht v/m

  1. (natuurkunde) een uitwendige oorzaak die ongehinderd door andere krachten de bewegingstoestand van een lichaam verandert
    • Volgens Newton is F gelijk aan het product m·a, waarbij F de kracht voorstelt, m de traagheid van het lichaam en a de versnelling van de beweging ervan. 
     Was hun koning, Willem de Veroveraar, niet tijdens een geweldige storm, dankzij de heilige Nicolaas, veilig van Normandië naar Engeland gevaren? Want Nicolaas was in staat de wind en de onstuimige kracht der golven te doen bedaren![2]
  2. geestelijk, zedelijk en fysiek vermogen, zie levenskracht, geestkracht, veerkracht, lichaamskracht etc.
  3. werking, werkzaamheid
    • de kracht van dit instrument om de economie bij te sturen is dus groot 
  4. factor die invloed uitoefent, macht, vermogen
    • Wij stellen vertrouwen in de kracht van de burgers om hun eigen leefomgeving in te vullen. 
  5. werknemer, mankracht
    • Wij hebben de komende jaren meer leerkrachten nodig 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen