kracht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kracht
enkelvoud meervoud
naamwoord kracht krachten
verkleinwoord krachtje krachtjes

Zelfstandig naamwoord

kracht v/m

  1. (natuurkunde) een uitwendige oorzaak die ongehinderd door andere krachten de bewegingstoestand van een lichaam verandert
    • Volgens Newton is F gelijk aan het product m·a, waarbij F de kracht voorstelt, m de traagheid van het lichaam en a de versnelling van de beweging ervan. 
  2. geestelijk, zedelijk en fysiek vermogen, zie levenskracht, geestkracht, veerkracht, lichaamskracht etc.
  3. werking, werkzaamheid
    • de kracht van dit instrument om de economie bij te sturen is dus groot 
  4. factor die invloed uitoefent, macht, vermogen
    • Wij stellen vertrouwen in de kracht van de burgers om hun eigen leefomgeving in te vullen. 
  5. werknemer, mankracht
    • Wij hebben de komende jaren meer leerkrachten nodig 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie