daadkracht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • daad·kracht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord daadkracht -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

daadkracht v/m

  1. het vermogen en de wil om dingen snel en met kracht voor elkaar te krijgen
    • Het kabinet ontbeert visie en daadkracht. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.