remkracht

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rem·kracht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord remkracht remkrachten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

remkracht v/m [1]

  1. de kracht die een voertuig vertraagt
    • Ventoso vraagt zich af wat de meerwaarde is van de schijfremmen als je de voordelen (meer en preciezere remkracht) afzet tegen de nadelen (moeilijk wielen vervangen en gevaarlijk voor rijders). Hij verwijt de bonden, teams en bovenal renners zelf dat ze niets doen. "We wachten altijd tot er verschrikkelijke dingen gebeuren voor we maatregelen nemen."[2] 
    • De datarecorder zit in alle moderne auto’s en slaat de laatste vijf seconden op voor het ongeluk. Het legt snelheid vast, de stand van het gaspedaal, de hoek van het stuur, de remkracht, of de gordels vast waren en of de airbags hebben gereageerd. Dingelhoff: „Het is een zeer interessante ontwikkeling."[3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia 10 januari 2017
  3. Tubantia 11 augustus 2016
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be