moed

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • moed
enkelvoud meervoud
naamwoord moed -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

moed m

  1. dapperheid, lef, branie
    De moed zakte in zijn schoenen toen hij die wankele brug zag.
  2. inborst, stemming, gemoed
    In goede moed ging hij uit fietsen.
  3. vertrouwen op een goede afloop
    De atlete had er nogal moed op; een podiumplaats lag binnen haar mogelijkheden.
Gelijkklinkende woorden
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

[1] De moed opgeven.

Vertalingen

Meer informatie