vermogen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·mo·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘macht, kracht’ voor het eerst aangetroffen in 1291 [1]
  • afgeleid van mogen met het voorvoegsel ver- [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord vermogen vermogens
verkleinwoord vermogentje vermogentjes

Zelfstandig naamwoord

vermogen o

  1. (financieel) een kapitaal aan geld -> bezit, bezitting, eigendom
    • De buurman heeft een flink vermogen. 
  2. de kwaliteiten om iets te kunnen doen, capaciteit
    • Hij heeft niet het vermogen om leiding te geven aan die groep. 
  3. (natuurkunde) de hoeveelheid verrichte arbeid per tijdseenheid, uitgedrukt in de SI-eenheid Watt
    • Een goed getrainde fietser kan continu een vermogen van 130 watt leveren.[3] 
Synoniemen
Hyponiemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vermogen
vermocht
vermocht
onregelmatig volledig

Werkwoord

vermogen

  1. modaal werkwoord(formeel) in staat zijn, kunnen
    • Wij vermogen niet in te zien wat op dit moment het spoedeisende karakter is.  [4]
    • (...) sulcks nochtans volcomelijck heeft vermogen te doen ende gedaen, (...) [5]
  2. absoluut in staat zijn iets te bewerkstelligen
    • Tegen dat virus vermogen we nu niet veel, maar met die nieuwe vaccinatieresultaten komt daar mogelijk verandering in. 
Opmerkingen
  • De onbepaalde wijs "vermogen" neemt vaak de plaats in van het voltooid deelwoord.[6]
  • Er is geen onpersoonlijke lijdende vorm.

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen