macht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • macht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord macht machten [1,2]
verkleinwoord machtje [2] machtjes [2]

Zelfstandig naamwoord

macht; v/m

  1. het vermogen zijn wil op te leggen
    De macht van de grote banken is in het Amerikaanse Congress goed te voelen.
  2. een staat die zijn macht doet gevoelen
    Van een wonderbaarlijk wereldrijkje zijn we vervallen tot een economisch machtje zonder inspraak in de wereldpolitiek.
  3. met man en ~: met inzetting van alle beschikbare middelen
    De stad werd met man en macht verdedigd.
Verwante begrippen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie