jouen
Uiterlijk
- jou·en
- afleiding van jou
jouen [1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| jouen |
joude |
gejoud |
| zwak -d | volledig | |
- jij en jou als aanspreekvorm gebruiken (terwijl u misschien meer op zijn plaats zou zijn)
- Gaandeweg werd mijn wereld steeds 'u'-lozer, en dat schrijf ik zonder het minste gevoel van triomf. Want voor wie eenmaal begint te jijen en jouen is er geen weg meer terug. Ik ken niemand die eerst een 'je' was en alsnog een 'u' werd. Omgekeerd, ja, bij bosjes. Maar dan is de belofte verbruikt en verbroken en zijn beide sprekers aangeland op het gemeenzame punt van de jijbak: hoe intiem, gelijkwaardig en amicaal het ook nog toe zal gaan, er is geen aanspreekvorm meer die recht doet aan de wording van zo'n verhouding. [2]
- Het woord jouen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "jouen" herkend door:
| 41 % | van de Nederlanders; |
| 21 % | van de Vlamingen.[3] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Volkskrant Stephan Sanders 5 augustus 2000
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 5
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Werkwoord in het Nederlands
- Zwak werkwoord (-d) in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 41 %
- Prevalentie Vlaanderen 21 %