dich

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Duits

Uitspraak
enkelvoud meervoud
nominatief du ihr
genitief deiner euer
datief dir euch
accusatief dich euch


Woordafbreking
  • dich

Persoonlijk voornaamwoord

dich

  1. jou, je (accusatief van de tweede persoon enkelvoud)
    «Sie liebt dich
    Ze houdt van jou.
    «Es tangiert dich peripher.»
    Het raakt je oppervlakkig.


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /ðɪx/ (Etsbergs)

Persoonlijk voornaamwoord

dich

  1. accusatief van doe
  2. onbeklemtoond reflexief van doe