bác

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Vietnamees

Zelfstandig naamwoord

bác

  1. oom, tante: oudere broer of zus van je vader of moeder
    Con chú, con bác chẳng khác gì nhau. (gezegde) – Kind van chú (oom jonger dan vader of moeder), kind van bác (oom ouder dan vader of moeder) zijn niet anders.
    bác ruột – oom, oudste broer van vader
    bác gái – tante, oudere zus van vader of moeder
  2. meneer, mevrouw: woord om algemeen een persoon van zekere leeftijd mee aan te duiden
    một bác khách của mẹ – een gast van je moeder
    bác thợ nề – metser

Voornaamwoord

bác

  1. ik, jij, hij, zij: persoonlijk voornaamwoord dat slaat op een oom of tante
    Bố về, cháu nói bác đến chơi nhé. – Kom, vertel mij eens over je spelletje.
    Em đưa thư này sang nhà bác nhé. – Breng dit eens naar zijn huis (van onze nonkel).
    Bố cháu có nhà, mời bác vào chơi. – Mijn vader is thuis, kom maar binnen, nonkel.
    Hôm nay bác bận, mai bác sẽ đến thăm bố cháu. – Vandaag heb ik het druk, morgen kom ik je vader bezoeken.
  2. jij, u: persoonlijk voornaamwoord gebruikt voor mensen van zekere leeftijd
    Bác công nhân, mời bác vào. – Arbeider, gelieve binnen te komen.
    Bác với tôi là bạn đồng nghiệp. – Jij en ik zijn vrienden.
    Bác già tôi cũng già rồi. Jij bent al oud en ik ook.

Werkwoord

bác

  1. verwerpen, weigeren: niet aannemen
    bác đơn xin ân xá – een gratieverzoek weigeren
    bác một đề nghị – een voorstel verwerpen
    bác một bản án – een vonnis verwerpen, nietigverklaren
  2. koken, laten sudderen
    bác trứng – een ei bakken
    bác mắm – vispastei klaarmaken

Verwijzingen