jijen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jij·en
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van jij.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
jijen
jijde
gejijd
zwak -d volledig

Werkwoord

jijen

  1. iemand aanspreken met jij en jou in plaats van met u
    • Ik wind me op over presentatoren die maar jijen en jouen. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

48 % van de Nederlanders
30 % van de Vlamingen.

Meer informatie