Naar inhoud springen

nek

Uit WikiWoordenboek
  • nek
  • In de betekenis van ‘achterste deel van hals’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord nek nekken
verkleinwoord nekje nekjes

denekm

  1. (anatomie) achterste gedeelte van de hals
     Haar nek deed pijn en haar hoofd bonkte.[3]
     Ik droeg een pet met een lange achterflap om mijn nek te beschermen tegen de zon.[4]
     Maar Teresa zweeg, met haar blik nog steeds op de uitgebrande kerk gericht, en het was alsof Olive de harde, donkere haarpunten in haar eigen nek voelde vallen.[3]
  • De nek [durven] uitsteken
Een bepaald risico durven nemen (ten behoeve van iets anders)
  • Iemand de nek toekeren
Niets meer met iemand te maken willen hebben (≈ iemand de rug toekeren)
  • Iemand met de nek aankijken (aanzien)
Iemand negeren en minachtend behandelen
  • Iemand op de nek zitten
Iemand continu controleren om te zien of diegene het opgedragen werk goed doet, al af heeft, etc.
  • Ik heb geen ogen in mijn nek!
Ik kan niet zien wat er achter me gebeurt!
  • Nek aan nek
Op gelijke positie voortgaan bij een race
  • Over zijn nek gaan
  • Tot aan/over zijn nek in de problemen/schulden, ... zitten
Heel veel problemen, schulden e.d. hebben
  • Uit zijn nek kletsen/lullen/zwammen
(dysfemisme) Onzin verkondigen
  • Ik breek mijn nek [over de rommel]!
Er ligt hier heel veel rommel
  • iets of iemand de nek omdraaien
iets of iemand kapot maken
 Wat leek het lang geleden dat ze hier waren aangekomen onder het winterse januarizonnetje, toen Isaac die kip de nek had omgedraaid.[3]
vervoeging van
nekken

nek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nekken
    • Ik nek. 
  2. gebiedende wijs van nekken
    • Nek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nekken
    • Nek je? 
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]