groepsleider

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

een groepsleider verzet zich tegen de politie
Uitspraak
Woordafbreking
  • groeps·lei·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord groepsleider groepsleiders
verkleinwoord groepsleidertje groepsleidertjes

Zelfstandig naamwoord

groepsleider m [1]

  1. (beroep) (volwassen) leider van een groep met name in onderwijs en de (jeugd)zorg
    • De kritiek was vaak dat groepsleiders niet altijd voldoende zijn opgeleid. „De professionaliteit van de leidster is doorslaggevend. En daar valt nog veel te verbeteren. Erg belangrijk is dat medewerkers zich een vve-programma echt eigen maken. Dat ze niet een methode mechanisch uitvoeren, een kwartiertje per dag. Maar dat ze het overdragen van de taal tot in hun vezels voelen. Dat ze bijvoorbeeld tijdens etenstijd niet opeens het programma uit hun handen laten vallen, maar een gesprek blijven voeren met de kinderen. Dus als er druiven op het menu staan, kan de leidster vertellen welke kleur het fruit heeft en waar de druiven groeien.” [2] 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Juliette Vasterman 7 juni 2016
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be