nutsgroep

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nuts·groep
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord nutsgroep nutsgroepen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

nutsgroep v/m

  1. organisatie bestaande uit een aantal nutsbedrijven (gas-, elektriciteit- en watervoorziening)
    • Elia ontstond vorig jaar na een privatisering van de netwerken en is voor 30 procent eigendom van de Belgische gemeenten. Het resterende deel van het aandelenpakket is genoteerd op de beurs of in handen van de Franse nutsgroep Suez. De Belgische kritiek sluit aan bij Nederlandse klachten over de staat van het stroomnetwerk tijdens de sneeuwstormen van vrijdag. [1] 
    • De Belgische regering en de Generale Maatschappij, grootaandeelhouder van nutsgroep Tractebel, steunen een fusie van Tractebel en Electrabel. Deze twee bedrijven hebben zeer grote belangen in de Belgische energievoorziening. [2] 

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Reformatorisch Dagblad 28-11-2005 Klacht Belgische aannemers privatisering stroomsector
  2. NRC 6 juni 1997 Stroomfusie in België
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be