woongroep

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

woongroep Huize Siegfried
Uitspraak
Woordafbreking
  • woon·groep
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord woongroep woongroepen
verkleinwoord woongroepje woongroepjes

Zelfstandig naamwoord

woongroep v/m

  1. een groep van samenwonenden die gezamenlijk allerlei dagelijkse, huishoudelijke aangelegenheden verrichten zonder dat er sprake is van een gezinsverband of liefdesrelaties
    • Saamhorigheid, dat onderstreept iedereen als kwaliteit van Bottendaal. Ellen Bekker zegt dat ze zich „met z’n dertigen” ontfermen over een zieke buurvrouw. Met dezelfde aandacht hebben ze ervoor gezorgd dat haar bejaarde onderbuurvrouw tot haar dood in haar eigen huis kon blijven wonen. Ooit was het een woongroep, zegt Bekker, maar „dan doen banken in Amerika raar en verandert je leven hier”. Haar bank wilde de hypotheek voor de woongroep niet vernieuwen, dus nu heeft iedereen een individuele moeten afsluiten, of de woning moeten huren. „Eerst hadden ze wel het vertrouwen in ons, nu niet meer.” [1] 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. NRC Bas Blokker Jutta Chorus 10 februari 2017