zwembad
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: zwembad (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈzʋɛmbɑt/
- (Vlaanderen, Brabant): /ˈzβ̞ɛmbɑt/
- (Limburg): /ˈzwɛmbɑd/
Woordafbreking
- zwem·bad
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zwembad | zwembaden |
| verkleinwoord | zwembadje | zwembadjes |
Zelfstandig naamwoord
zwembad o
- een bassin om in te zwemmen.
- Ze maakten 's winters het zwembad leeg.
- een inrichting om te zwemmen.
- De jeugd gaat tegenwoordig graag naar het zwembad op een warme zomerse dag.
Vertalingen
1. een bassin om in te zwemmen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.