ambt
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ambt
Woordherkomst en -opbouw
- (afkorting), (verkorting) van ambacht
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | ambt | ambten |
| verkleinwoord | ambtje | ambtjes |
Zelfstandig naamwoord
ambt o
- officiële betrekking, post die meestal van overheidswege toegekend wordt en enige vorm van gezag uitstraalt
- Het ambt van politieagent.
- geestelijke taak of dienst die iemand beroepshalve uitvoert
- Het ambt van priester, diaken.