ambt

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ambt
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ambt ambten
verkleinwoord ambtje ambtjes

Zelfstandig naamwoord

ambt o

  1. officiële betrekking, post die meestal van overheidswege toegekend wordt en enige vorm van gezag uitstraalt
    Het ambt van politieagent.
  2. geestelijke taak of dienst die iemand beroepshalve uitvoert
    Het ambt van priester, diaken.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen