face

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
face faces

Zelfstandig naamwoord

face

  1. gezicht
  2. wand
vervoeging
onbepaalde wijs to face
he/she/it faces
verleden tijd faced
voltooid
deelwoord
faced
onvoltooid
deelwoord
facing
gebiedende wijs face

Werkwoord

face

  1. onder ogen zien
  2. kijken naar


Roemeens

Uitspraak
  • IPA: /ˈfaʧe/
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Latijnse facere.

Werkwoord

face

  1. doen
  2. maken
Persoonlijke instellingen