strook

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • strook
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord strook stroken
verkleinwoord strookje strookjes

Zelfstandig naamwoord

strook v / m [2] [3]

  1. (dun) voorwerp waarvan de lengte groot is in vergelijking met de breedte
  2. in het bijzonder van textiel gemaakt
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Woordenboek der Nederlandse taal




Werkwoord

vervoeging van
stroken

strook

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stroken
    Ik strook.
  2. gebiedende wijs van stroken
    Strook!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stroken
    Strook je?