banen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
banen
baande
gebaand
zwak -d volledig

Werkwoord

banen

  1. (wederkerend) zich een weg ~: een pad maken waar er geen was, resoluut doordringen in iets
    Hij heeft zich een weg door het oerwoud gebaand.
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

banen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord baan


Deens

Woordafbreking
  • ba·nen
Naar frequentie 1632

Zelfstandig naamwoord

banen, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van bane