band

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • band
1,2,4,5,6 enkelvoud meervoud
naamwoord band banden
verkleinwoord bandje bandjes
3 enkelvoud meervoud
naamwoord band bands
verkleinwoord bandje bandjes

Zelfstandig naamwoord

band m

  1. een ring om een voorwerp
    Die auto heeft een lekke band.
    Een hoepel is een band om een ton.
  2. breed koord, langwerpige strook
    Om niet te vallen had hij een band om zijn middel geknoopt.
  3. (muziek) groep mensen die populaire muziek ten gehore brengt
    Op het festival hier zijn superveel bands.
  4. relatie
    "Hebben jullie een goede band met elkaar?"
  5. de binnenrand van een biljarttafel
    De biljartbal raakte eerst de lange band.
  6. (telecommunicatie) frequentieband
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Citaten
Ik ken 'n heel leuk tentje,
Daar speelt een prima bandje. (Doe Maar)
Vertalingen


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • band

Zelfstandig naamwoord

band o

  1. band (lint).
  2. band (boekband).
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   band     bandet     band     banden  
genitief   bands     bandets     bands     bandens