band
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| 1 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | band | banden |
| verkleinwoord | bandje | bandjes |
Uitspraak
Woordafbreking
- band
Zelfstandig naamwoord
band m
- een rubberen ring om een wiel.
- Die auto heeft een lekke band.
- breed koord.
- Om niet te vallen had hij een band om zijn middel geknoopt.
- groep mensen die populaire muziek ten gehore brengt.
- "Op het festival hier zijn super veel bands"
- relatie
- "Hebben jullie een goede band met elkaar?"
- de binnenrand van een biljarttafel.
- De biljartbal raakte eerst de lange band.
| 2 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | band | bands |
| verkleinwoord | bandje | bandjes |
Citaten
Ik ken 'n heel leuk tentje / Daar speelt een prima bandje (Doe Maar)
Vertalingen
Groep mensen die populaire muziek ten gehore brengt
Zweeds
Uitspraak
Woordafbreking
- band
Zelfstandig naamwoord
band o
Verbuiging
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | band | bandet | band | banden |
| genitief | bands | bandets | bands | bandens |