band

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

1 enkelvoud meervoud
naamwoord band banden
verkleinwoord bandje bandjes
Uitspraak
Woordafbreking
  • band

Zelfstandig naamwoord

band m

  1. een rubberen ring om een wiel.
    Die auto heeft een lekke band.
  2. breed koord.
    Om niet te vallen had hij een band om zijn middel geknoopt.
  3. groep mensen die populaire muziek ten gehore brengt.
    "Op het festival hier zijn super veel bands"
  4. relatie
    "Hebben jullie een goede band met elkaar?"
  5. de binnenrand van een biljarttafel.
    De biljartbal raakte eerst de lange band.
2 enkelvoud meervoud
naamwoord band bands
verkleinwoord bandje bandjes
Citaten

Ik ken 'n heel leuk tentje / Daar speelt een prima bandje (Doe Maar)

Vertalingen


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • band

Zelfstandig naamwoord

band o

  1. band (lint).
  2. band (boekband).
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   band     bandet     band     banden  
genitief   bands     bandets     bands     bandens  
Persoonlijke instellingen