band
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: Bestand bestaat nog niet. Aanmaken?
- IPA: /bɑnt/, /bɑndən/ (1,2,4,5,6)
- IPA: /bɛnt/, /bɛnts/ (3)
Woordafbreking
- band
| 1,2,4,5,6 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | band | banden |
| verkleinwoord | bandje | bandjes |
| 3 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | band | bands |
| verkleinwoord | bandje | bandjes |
Zelfstandig naamwoord
band m
- een ring om een voorwerp
- Die auto heeft een lekke band.
- Een hoepel is een band om een ton.
- breed koord, langwerpige strook
- Om niet te vallen had hij een band om zijn middel geknoopt.
- (muziek) groep mensen die populaire muziek ten gehore brengt
- Op het festival hier zijn superveel bands.
- relatie
- "Hebben jullie een goede band met elkaar?"
- de binnenrand van een biljarttafel
- De biljartbal raakte eerst de lange band.
- (telecommunicatie) frequentieband
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
- bandmaat, bandrecorder, bandschuurmachine, bandstem, halsbandparkiet, halsbandzwijn, rolbandmaat
- bandenpech, bandenspanning, autoband
Citaten
- Ik ken 'n heel leuk tentje,
- Daar speelt een prima bandje. (Doe Maar)
Vertalingen
2. breed koord
3. groep mensen die populaire muziek ten gehore brengt
Zweeds
Uitspraak
Woordafbreking
- band
Zelfstandig naamwoord
band o
Verbuiging
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | band | bandet | band | banden |
| genitief | bands | bandets | bands | bandens |