doel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- doel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | doel | doelen |
| verkleinwoord | doeltje | doeltjes |
Zelfstandig naamwoord
doel o
- het punt waarop men zich richt
- Het doel van deze vergadering was het herzien van het schoolreglement.
- (sport) een van de twee gemarkeerde ruimten op een sportveld, een bal die daarin op correcte wijze terechtkomt, levert een doelpunt op voor de tegenstander
- Het doel op het speelveldje heeft geen net.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
- [1] bedoeling, doelstelling, doelgericht, doelmatig, doeltreffend
- [2] doellijn, doelpaal, doelpunt, doelverdediger
Verwante begrippen
- [1] opzet, plan, streefdatum, streefwaarde
- [2] handbal, hockeyveld, voetbalveld, zijlijn
Uitdrukkingen en gezegden
- een haalbaar doel
- zich iets ten doel stellen
Vertalingen
1. het punt waarop men zich richt
een haalbaar doel
|
zich iets ten doel stellen
|
1. een van de twee gemarkeerde ruimten op een sportveld
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Fries
Zelfstandig naamwoord
doel