spoor

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spoor
enkelvoud meervoud
naamwoord spoor sporen
verkleinwoord spoortje spoortjes

Zelfstandig naamwoord

spoor o

  1. (spoorwegen) twee met elkaar verbonden ijzeren staven waarover een trein of tram rijdt
  2. (spoorwegen) spoorwegmaatschappij
    het is een mooie dag om met het spoor naar Zandvoort te gaan
  3. afdruk
    in de sneeuw waren de sporen te zien van enige konijnen
  4. (techniek) deel van een magneetband waarop de informatie van één kanaal is vastgelegd
  5. (techniek) afstand tussen twee op dezelfde as staande wielen
  6. v m (plantkunde) voortplantingsorgaan bij schimmels en bacteriën, spore
  7. v m metalen punt of getand wieltje aan de hiel van de rijlaars
    hij gaf het paard de sporen
  8. v m (dierkunde) doornachtige uitsteeksel aan de poten van mannelijke, hoenderachtige vogels
    Deze haan heeft gevaarlijke sporen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Engels

Uitspraak
  • IPA:
    • (RP): /spʊə/
    • (GenAm): /spʊɹ/
enkelvoud meervoud
spoor spoors

Zelfstandig naamwoord

  1. spoor (afdruk).