volk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • volk
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘stam, bewoners van een staat’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord volk volken
volkeren
verkleinwoord volkje volkjes

Zelfstandig naamwoord

volk o

  1. een groep mensen die een aantal dingen gemeenschappelijk hebben, zoals afstamming, taal, gewoontes of overlevering
  2. de inwoners van een land
    • Het Franse volk steunt zijn president. 
     Wandelend door de vele kleine bergdorpjes langs de trail heb ik het Amerikaanse volk leren kennen als vriendelijk, respectvol en opvallend gastvrij.[3]
  3. de lagere klassen
     `Zwarte Piet' of 'Pietje Pik', zo noemde het volk in de middeleeuwen de duivel.[4]
  4. een aantal mensen
  5. een groep insecten die in hetzelfde nest wonen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Hoe later op de avond hoe schoner volk
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "volk" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. volk op website: Etymologiebank.nl
  3. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Marijke van Raephorst op Wikipedia “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 14
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

volk

  1. volk


Sloveens

Zelfstandig naamwoord

volk m

  1. wolf