ambachtsvolk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • am·bachts·volk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ambachtsvolk -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

ambachtsvolk o

  1. het volk wat een ambacht uitoefent ofwel de gezamenlijke ambachtslieden

Gangbaarheid