gepeupel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·peu·pel
Woordherkomst en -opbouw
  • het gewone volk [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord gepeupel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gepeupel o [2]

  1. het gewone volk, de laagste klasse
  2. het gespuis het onkundige, ruwe, woeste volk
    • Zij had in de straten van Parijs het op bloed beluste gepeupel gezien, dat was opgehitst door fanatici als Marat, Danton en Robespierre. Zij had meegemaakt hoe familieleden en vrienden eindigden onder de guillotine en had zelf moeten vluchten. Zij begreep dat politiek niet alleen een zaak van beginselen, ideeën en regels was, maar dat emoties, verwachtingen, frustraties, rancune en moeilijk definieerbare verschijnselen als mentaliteit en identiteit een minstens even grote rol speelden. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. NRC Rob Hartmans 18 oktober 2016