voetvolk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

voetvolk
Uitspraak
Woordafbreking
  • voet·volk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord voetvolk
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

voetvolk o [2]

  1. (militair) militairen die te voet vechten
  2. (informeel), (maatschappij) het gewone, gemene volk
    • Net als in de gewone wereld stond het luizenleven van de bazen in sterk contrast met de barre omstandigheden waarin het voetvolk zich bevond. Die spenderen hun tijd in cellen zonder water, ventilatie of daglicht.[3] 
    • Ik wil het daarom in deze eerbiedwaardige behuizing nog maar eens stellen: als je je boven het voetvolk wil verheffen door een kalasjnikov op te pakken, dan moet je gaan. Ik zie geen juridische gronden om ze dan tegen te houden. Dus waarom zouden we dat doen.'[4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. voetvolk op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Tubantia 11-JANUARI-2017
  4. Tubantia 04-MAART-2016
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be