manvolk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • man·volk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord manvolk
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

manvolk o [1]

  1. (informeel) alle mannen in het algemeen
    • Maar staan de fraai uitgedoste meiden er dan alleen om het toegestroomde manvolk te vermaken? ,,Nee!’’, zegt Tom resoluut. ,,Er zijn heel veel vrouwen die ook graag naar mooie vrouwen kijken. [2] 
    • Met de 'pil' voor mannen lijkt het nog niet echt te vlotten, maar wetenschappers hebben een andere goedkope, langdurig werkzame en omkeerbare anticonceptiemethode voor het manvolk ontwikkeld. [3] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.

Verwijzingen