Naar inhoud springen

menigte

Uit WikiWoordenboek
Koningin Juliana op Wikipedia (nl) te midden van een menigte (Soestdijk, 1978)
  • me·nig·te
enkelvoud meervoud
naamwoord menigte menigten
menigtes
verkleinwoord - -

demenigtev

  1. grote groep mensen dicht op elkaar
    • De menigte was op weg van het station naar het stadion. 
     Toen ik dat gedicht voorlas, had ik zijn gezicht niet in de menigte opgemerkt.[4]
     Om je geliefde in een menigte te zoeken, zijn blik te vangen en te voelen dat je daar, bij hem, thuishoort - het leek mij onmogelijk.[4]
     Ze sluit haar ogen weer, blij dat ze verlost is van dat veel te warme huis, de domme dochters Sarragon, hun giftige moeder, haar vaders ongemak en het incident waarbij haar tante als een waanzinnige in de menigte verdween.[5]
  2. grote hoeveelheid
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[6]