wolf

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een wolf

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wolf
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘hondachtige’ voor het eerst aangetroffen in 1001 [1]
  • Komt van het Proto-Indo-Europese woord vraka of varka, wat in het Proto-Europees valka, ulka of valpa werd. In het Oud-Grieks was het lukos, in het Latijn was het Lupus en in het Oud-Germaans was het wolfe.
enkelvoud meervoud
naamwoord wolf wolven
verkleinwoord wolfje wolfjes

Zelfstandig naamwoord

wolf m

  1. (zoogdieren) Canis lupus, een roofdier uit de familie van de hondachtigen
    • In dat gebied kun je vaak wolven zien lopen. 
  2. (medisch) tandwolf
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Een wolf in schaapskleren

  • Iemand die er op het eerste gezicht onschuldig uitziet, maar in werkelijkheid kwade bedoelingen heeft
Spreekwoorden

De mens is de mens een wolf

  • Mensen maken vaak misbruik van elkaar
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
wolven

wolf

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wolven
    • Ik wolf. 
  2. gebiedende wijs van wolven
    • Wolf! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wolven
    • Wolf je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord wolf wolwe

Zelfstandig naamwoord

wolf

  1. wolf


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
wolf wolves

Zelfstandig naamwoord

wolf

  1. wolf
Hyperoniemen