universum

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uni·ver·sum
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘heelal’ voor het eerst aangetroffen in 1832 [1]
  • afgeleid van het Latijnse universus (met het voorvoegsel uni-) [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord universum universums
universa
verkleinwoord universumpje universumpjes

Zelfstandig naamwoord

universum o

  1. (astronomie) het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
    • Die overdreven voorliefde voor het gezag had ze van haar vader, adjunct van het plaatsvervangend afdelingshoofd bij het ministerie van Posterijen, die de hiërarchie binnen zijn ministerie zag als een metafoor voor het universum. [3] 
  2. (figuurlijk) een besloten wereld
    • Maar vooral actrice Olivia Colman is onvergetelijk als de zon waaromheen dit universum draait. [4] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen