lokaliteit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lo·ka·li·teit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord lokaliteit lokaliteiten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

lokaliteit v [1]

  1. een grotere ruimte waarin meerdere personen kunnen vertoeven
    • Acht eigenaren van illegale feestschuren in de gemeente Dinkelland moeten een dwangsom betalen voor elke keer dat ze in de betreffende lokaliteit een feest met een commercieel karakter houden.[2] 
  2. de geografische plaats waar iets gebeurt
    • ‘Een belangrijke drempel voor 60-plussers is de nabijheid van een culturele activiteit’, zegt professor Dominique Verté van de VUB. ‘Voor ouderen is cultuurparticipatie onlosmakelijk verbonden met lokaliteit. Naarmate de leeftijd stijgt, wordt dat belangrijker. Dat komt onder andere omdat het openbaar vervoer te complex is voor heel wat ouderen.’ De onderzoekers pleiten daarom voor onder meer buurtcinema's en andere lokale buurtinitiatieven. [3]  
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia 26-02-2013
  3. De Standaard 22/02/2010 llo