zitruimte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

ruimte in een gebouw waar men kan zitten
Uitspraak
Woordafbreking
  • zit·ruim·te
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zitruimte zitruimtes
zitruimten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zitruimte v

  1. een deel van een gebouw waar men kan zitten
    • Zo is volgens het rapport de all-inclusive safaritent met echte bedden, houtkachel en zitruimte gewild. „Of de combi van bungalow met keuken en badkamer op de begaande grond en slaaptenten op het dak in de open lucht. Caravans en vouwwagens zijn niet weg te branden bij Nederlandse kampeerders. En er rijden in ons land al 100.000 campers rond.”[1] 
  2. de ruimte die men heeft om te zitten (in bijvoorbeeld een trein of vliegtuig)
    • Volgens Carla Isselmann raken luchtreizigers tegenwoordig gestresst door lange rijen, onbeleefde veiligheidscontroleurs en te weinig zitruimte. "Reizen is tegenwoordig een regelrechte ramp. Ongelukken kunnen niet uitblijven", denkt Isselmann.[2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. de Telegraaf PAUL ELDERING 23 nov. 2017
  2. de Telegraaf 08 jan. 2016
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be