woonruimte

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • woon·ruim·te
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord woonruimte woonruimtes
woonruimten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

woonruimte v

  1. (bouwkunde) kamer of huis waarin je kunt wonen
    De studenten waren hard op zoek naar nieuwe woonruimte.
    Bejaarden hebben vaak een aangepaste woonruimte nodig.