bakken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: backen

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
bakken bakkend
gebak gebakken
baksel
bakker
Uitspraak
Woordafbreking
  • bak·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bakken
/'bɑ.kə(n)/
bakte
(biek[3])
/'bɑk.tə/
gebakken
/ɣə.'bɑ.kə(n)/
klasse 7


zwak -t
gemengd

volledig

Werkwoord

bakken

  1. overgankelijk, (kookkunst) voedsel bij hoge temperatuur in een oven of pan verhitten, meestal met wat olie of boter
    • Oliebollen bakken hoort echt bij oudejaarsavond. 
     Maar terwijl die Pieten speelgoed maken, pepernoten bakken en alles klaarmaken voor de volgende reis naar Holland, trekt Sinterklaas op zijn paard door de hoge Spaanse bergen, op zoek naar een nieuw Pietje.[4]
  2. klei of aarde sterk verhitten om er stenen voorwerpen van te maken
    • Hij bakte potten. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Er niets van bakken
Ergens totaal niet in slagen
  • Het al te bruin bakken
te erg maken
  • Hij is bakkeran of hij is bak an
  • Iemand een kool stoven ( of bakken)
  • Iemand een poets bakken
een grap met iemand uithalen
  • Iemand een poets spelen ( of bakken)
  • Iemand iets bakken
  • Met de gebakken peren (blijven) zitten
voor de moeilijkheden opdraaien
  • Zoete broodjes bakken
poeslief/erg vriendelijk zijn
Vertalingen


stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bakken
bakte
gebakt
zwak -t volledig

Werkwoord

bakken

  1. onovergankelijk (informeel) voor een examen zakken

Zelfstandig naamwoord

bakken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bak

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

Deens

Woordafbreking
  • bak·ken
Naar frequentie 4370

Zelfstandig naamwoord

bakken, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van bak

Zelfstandig naamwoord

bakken, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van bakke


Noors

Woordafbreking
  • bak·ken
Naar frequentie 1394

Zelfstandig naamwoord

bakken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van bakk

Zelfstandig naamwoord

bakken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van bakke


Nynorsk

Woordafbreking
  • bak·ken

Zelfstandig naamwoord

bakken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van bakk

Zelfstandig naamwoord

bakken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van bakke