fry

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
fry fries

Zelfstandig naamwoord

fry

  1. gewoonlijk meervoud: patat
    «Would you like fries with that?»
    Wilt u daar frietjes bij?
  2. broed, vooral van vis
    «That's small fry
    Dat is klein grut! (Dat is nauwelijks de moeite waard)


vervoeging
onbepaalde wijs to  fry 
he/she/it  fries 
verleden tijd  fried 
voltooid
deelwoord
 fried 
onvoltooid
deelwoord
 frying 
gebiedende wijs  fry 

Werkwoord

fry

  1. bakken
    «She fried the fish in some butter.»
    Ze bakte de vis in wat boter.