uitbakken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·bak·ken
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

uitbakken [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitbakken
bakte uit
uitgebakken
zwak -t volledig
  1. (kookkunst) door bakken het vet uit het vlees verwijderen
    • Neem een grote pan, ik kies voor een paellapan, die in de oven kan en leg hierin de boerenkarbonaden. Laat langzaam het vet uitbakken en het vlees bruinbakken. [2] 
    • De kool schaven, het liefst op de mandoline, met de kaasschaaf kan ook. Ruim zout over de kool strooien en minstens een uurtje laten staan, dit is voor de bite. De cervelaatworst zachtjes uitbakken tot ze krokant is. [3] 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Verwijzingen