bakker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search
Een bakker.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bak·ker
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘iemand die beroepsmatig brood e.d. bakt’ voor het eerst aangetroffen in 1477 [1]
  • afgeleid van bakken met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord bakker bakkers
verkleinwoord bakkertje bakkertjes

Zelfstandig naamwoord

bakker m

  1. (beroep) iemand die brood en taarten bakt om ze te verkopen
    • Een bakker moet vroeg opstaan om 's-morgens vers brood te kunnen verkopen. 
  2. (beroep) iemand die bakt
    • Sinds 'Heel Holland bakt' denkt iedereen een bakker te zijn. 
  3. een bedrijf of winkel waar je brood en deegwaren kunt kopen
    • Loop jij even naar de bakker voor een vers brood. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Deens

Woordafbreking
  • bak·ker

Werkwoord

bakker

  1. tegenwoordige tijd van bakke

Zelfstandig naamwoord

bakker, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van bakke


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

bakker

  1. (beroep) bakker


Noors

Woordafbreking
  • bak·ker

Werkwoord

bakker

  1. tegenwoordige tijd van bakke

Zelfstandig naamwoord

bakker, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van bakk

Zelfstandig naamwoord

bakker, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van bakke


Nynorsk

Woordafbreking
  • bak·ker

Zelfstandig naamwoord

bakker, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van bakke


Veluws

Zelfstandig naamwoord

bakker

  1. (beroep) bakker