bakker

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een bakker.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bak·ker
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van bakken met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord bakker bakkers
verkleinwoord bakkertje bakkertjes

Zelfstandig naamwoord

bakker m

  1. (beroep) iemand die brood en taarten bakt om ze te verkopen
    Een bakker moet vroeg opstaan om 's-morgens vers brood te hebben.
  2. (beroep) iemand die bakt
    Sinds 'Heel Holland bakt' denkt iedereen een bakker te zijn.
  3. een bedrijf of winkel waar je brood en deegwaren kunt kopen
    Loop jij even naar de bakker voor een vers brood.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Deens

Woordafbreking
  • bak·ker

Werkwoord

bakker

  1. tegenwoordige tijd van bakke

Zelfstandig naamwoord

bakker, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van bakke


Noors

Woordafbreking
  • bak·ker

Werkwoord

bakker

  1. tegenwoordige tijd van bakke

Zelfstandig naamwoord

bakker, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van bakk

Zelfstandig naamwoord

bakker, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van bakke


Nynorsk

Woordafbreking
  • bak·ker

Zelfstandig naamwoord

bakker, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van bakke