afbakken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·bak·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afbakken
bakte af
afgebakken
zwak -t


gemengd

volledig

Werkwoord

afbakken

  1. voorgebakken brood voor een tweede maal bakken zodat het klaar is voor consumptie
    • In de supermakt kun je broodjes kopen die jezelf moet afbakken zodat je verse broodjes eet bij het ontbijt. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.